Dierproeven: verminderen, verfijnen, vervangen

Newsletter
Informatie
Sector
Deontologie & Ethiek
Maatschappelijke impact
Gezondheidsbeleid
Onderzoek en ontwikkeling

De sector is verheugd over de publicatie van de meest recente volledige Europese statistieken voor het jaar 2023 over het gebruik van dieren in wetenschappelijk, medisch en veterinair onderzoek. Deze gegevens leveren een essentiële bijdrage aan de transparantie en voeden een open en op feiten gebaseerd debat over de rol, de waarde en de grenzen van dierproeven in de medische vooruitgang.

Dierproeven: wat de laatste cijfers laten zien

Dierproeven zijn een onderwerp dat vragen en soms zorgen oproept. Deze bezorgdheid is begrijpelijk. Ze wordt overigens breed gedeeld door degenen die werkzaam zijn in het biomedisch onderzoek. Het inzetten van dieren voor wetenschappelijke doeleinden is nooit een beslissing die lichtvaardig wordt genomen: het is een keuze die strikt gereguleerd is, onderworpen aan zeer precieze regels en geleid door een duidelijk doel: het welzijn van dieren beschermen en tegelijkertijd de geneeskunde vooruithelpen.

De publicatie van de meest recente volledige Europese statistieken voor het jaar 2023 biedt concrete gegevens voor het debat. Ze tonen aan dat dierproeven beperkt, gericht en streng gecontroleerd blijven, en dat ze volledig in overeenstemming zijn met het "3V"-principe: het aantal proefdieren verminderen, proeven verfijnen om dierenleed tot een minimum te herleiden, en om waar mogelijk het werken met proefdieren vervangen door andere methodes.

Het doel blijft hetzelfde: alleen gebruikmaken van dieren wanneer dat onontbeerlijk is, en altijd met inachtneming van de strengste ethische normen, om de veiligheid en de doeltreffendheid van toekomstige behandelingen te garanderen.

De recentste cijfers herinneren ook aan een engagement op lange termijn: de wetenschap op een verantwoorde manier vooruithelpen, terwijl actief wordt geïnvesteerd in alternatieve en innovatieve methoden, ten voordele van zowel patiënten als dieren.

België: de cijfers dalen

In 2023, de meest recente beschikbare cijfers, werden in België 421 898 dieren gebruikt in het kader van wetenschappelijk, medisch en veterinair onderzoek, tegenover 430 671 in 2022. Dat is een daling met 8 773 dieren. Deze ontwikkeling past in een bredere trend van een geleidelijke afname van het aantal gebruikte dieren, die al enkele jaren wordt waargenomen.

De categorieën dieren

Het onderzoek is voornamelijk gebaseerd op kleine en algemeen aanvaarde diermodellen.

De percentages voor het jaar 2023:

  • 54,8 % muizen
  • 14,6 % konijnen
  • 14,1 % zebravis
  • 0,12 % honden, katten en niet-menselijke primaten

Europa: de dalende trend zet zich voort

Op het niveau van de Europese Unie werden in 2023 voor het eerst 6 419 916 dieren gebruikt, wat neerkomt op een daling van 
8,2 % of 526 433 dieren ten opzichte van 2022. 

Net als in België concentreert het gebruik in de EU-27 zich op een beperkt aantal soorten:

  • 95,4 % muizen, vissen, ratten, konijnen en vogels.
  • 0,22 % honden, katten en niet-menselijke primaten 

Een essentiële bijdrage aan de medische vooruitgang

Het merendeel van de geneesmiddelen, therapieën en medische technieken die vandaag beschikbaar zijn, is het resultaat van decennia van wetenschappelijk onderzoek waarvoor op een bepaald moment het gebruik van diermodellen noodzakelijk was. Deze bijdrage was doorslaggevend voor belangrijke doorbraken op tal van gebieden, met name in de oncologie, infectieziekten, neurologie, immunologie en genetica. 

Dat er bij onderzoek gebruik wordt gemaakt van dieren, komt door de fundamentele biologische overeenkomsten met de mens. We delen bijvoorbeeld ongeveer 95 % van onze genen met de muis, waardoor deze een essentieel model is om tal van menselijke ziekten te begrijpen. Bovendien ontwikkelen veel diersoorten van nature aandoeningen die vergelijkbaar zijn met die van ons, zoals bepaalde vormen van kanker, aandoeningen van de luchtwegen, infectieziekten of neurologische aandoeningen. Recente vooruitgang op het gebied van genoombewerking heeft de relevantie van deze modellen nog versterkt door het mogelijk te maken zogenaamde "gehumaniseerde" vormen te creëren, die in staat zijn om complexe menselijke ziekten nauwkeurig na te bootsen, die onmogelijk rechtstreeks bij de mens kunnen worden bestudeerd.

Dierproeven worden echter nooit op zichzelf toegepast. Ze maken deel uit van een alomvattende wetenschappelijke aanpak die complementaire methoden combineert, zoals celculturen, organoïden, computermodellen, kunstmatige intelligentie en, in een latere fase, klinische studies bij de mens. Deze combinatie van instrumenten maakt het mogelijk om het inzicht in biologische mechanismen te verdiepen, de effecten en risico's van behandelingen beter te voorspellen en de veiligheid van patiënten te vergroten, terwijl het gebruik van dieren tot een minimum wordt beperkt. 

Hoewel alternatieve methoden een steeds grotere rol spelen, kunnen ze nog niet alle toepassingen van diermodellen vervangen, met name voor het bestuderen van levende organismen in hun totaliteit.

Er zijn talrijke voorbeelden van medische innovaties die dankzij deze gecombineerde aanpak mogelijk zijn gemaakt. Dierproeven hebben een doorslaggevende bijdrage geleverd aan de verbetering van de overlevingskansen bij talrijke vormen van kanker, zoals borstkanker, met de ontwikkeling van gerichte behandelingen op basis van onderzoek bij muizen. Op het gebied van infectieziekten heeft langdurig onderzoek bij dieren geleid tot de snelle ontwikkeling van vaccins tegen Covid-19, HPV, ebola en polio. In de neurologie hebben fundamentele studies bij apen de weg vrijgemaakt voor diepe hersenstimulatie, die tegenwoordig op grote schaal wordt toegepast om de levenskwaliteit van patiënten met de ziekte van Parkinson of andere neurologische aandoeningen te verbeteren. Op dezelfde manier zijn de vorderingen die zijn gemaakt bij de behandeling van hiv, astma of malaria deels te danken aan onderzoek bij dieren.

Het beperken en reguleren van dierproeven: een hefboom voor verantwoorde en concurrerende innovatie in Europa

In de Europese Unie is onderzoek met dieren alleen toegestaan wanneer er geen betrouwbaar alternatief bestaat, overeenkomstig Richtlijn 2010/63. Elk project wordt aan strenge beoordelingen onderworpen: vergunning van onderzoekers en infrastructuren, toetsing door onafhankelijke ethische commissies en voorafgaande aantoning dat de wetenschappelijke doelstellingen niet op een andere manier kunnen worden bereikt.

De ontwikkeling van nieuwe alternatieve methoden (NAM's) – zoals geavanceerde celculturen, organoïden, computermodellering of kunstmatige intelligentie – speelt een centrale rol in deze ontwikkeling. Deze benaderingen, die een sleutelelement vormen van de Biotech Act, maken het mogelijk het gebruik van dieren verder te verminderen, terwijl innovatie wordt versneld en de kwaliteit van het onderzoek in Europa wordt versterkt. 

Deze rigoureuze aanpak helpt de wetenschap op een verantwoorde manier vooruit te gaan. Ze maakt het mogelijk veilige en doeltreffende behandelingen te ontwikkelen, met respect voor het dierenwelzijn en een versterking van het vermogen van Europa om te innoveren en concurrerend te blijven.

In deze context worden dierproeven steeds gerichter en strikt voorbehouden aan situaties waarin ze onmisbaar zijn, als laatste redmiddel. 

De ambitie is duidelijk: wetenschappelijke vooruitgang, ethische verantwoordelijkheid en Europees leiderschap op het gebied van biomedische innovatie met elkaar verzoenen, ten voordele van patiënten en de samenleving.

Become a member

Schrijf je in op onze nieuwsbrief

Wil je op de hoogte blijven van het reilen en zeilen binnen de farma-industrie, schrijf je dan in op onze nieuwsbrief!